• Susan van Eyck

Wisselvallige dagen deel 1 - Evelien

Bijgewerkt: 6 aug 2018


De lucht boven de A12 is loodgrijs, overal waar ik kijk staan auto’s en kampeerwagens. Nog meer mensen als mijn ouders, die serieus denken dat het leuk is om in Nederland op vakantie te gaan. Persoonlijk denk ik dat het een ramp is. Neem alleen vandaag al. De eerste de beste vakantiedag en we hebben al file én regen. De perfecte ingrediënten voor een mislukte vakantie. Het enige wat er nog aan ontbreekt is dat mijn broertje begint te jengelen, maar dat zal wel een kwestie van minuten zijn als ik het zo bekijk. Misschien had ik toch maar beter thuis kunnen blijven en wennen aan het feit dat ik alleen ben. Overdag lukt het me soms wel om te vergeten dat ik niemand meer om me heen heb. Dan kan ik altijd dingen doen, de stad ingaan, met een vriendin afspreken, aan mijn scriptie werken of gewoon heel hard de televisie aanzetten. ‘s Nachts komt het besef het hardste binnen, elke keer dat ik in mijn eentje ga slapen, elke keer als ik in het donker naar de wc moet in dat appartement van ons dat veel te groot en te stil is om in je eentje te wonen in de wetenschap dat het bed nog steeds leeg is als ik terugkom. Ik had op dit moment eigenlijk met Sander in Zuid-Frankrijk moeten zitten. Het zou onze eerste vakantie worden in jaren tijd. Sander houdt niet van op vakantie gaan. Sander houdt van zekerheid. Van genoeg geld op zijn spaarrekening, genoeg vrije dagen achter de hand voor noodgevallen, hard werken, investeren in de toekomst, ‘s avonds op tijd naar bed en ‘s ochtends vroeg weer op en liever niet te ver van huis. Na veel onderhandelen waren we er dan eindelijk uit dat we twee weken naar Aix-en-Provence zouden gaan. Niet met de trein, zoals ik graag wilde, want dat vond hij veel teveel gedoe, maar met zijn auto. Het appartement was al geboekt, de vertrekdatum stond op de kalender in de wc, de route was uitgeprint. En toen gebeurde het. Ouwe, trouwe Sander, het toppunt van betrouwbaarheid, mijn rots in de branding, mijn baken in de storm, werd verliefd op een ander meisje. Een stagiaire van net negentien. Ik had het al veel eerder kunnen weten, ik merkte al lang dat er iets met hem was, maar ik dacht dat hij gewoon te hard werkte, teveel stress had. Het is maar goed dat we snel op vakantie gaan, zei ik dan, je bent er echt aan toe, waarop hij dan braaf knikte en waarschijnlijk met zijn hoofd bij haar zat. Hem kennende zal hij er nog wel een tijdje tegen gevochten hebben, Sander is nooit het type geweest dat zomaar met een ander het bed in duikt. Maar uiteindelijk is het toch gebeurd. Hij kwam thuis, hij zei dat hij verliefd was en zij op hem en dat ze er allebei niet langer omheen konden, dus dat hij voor haar koos. Dat was het dan. De strijd was al gestreden voor ik wist dat er iets te strijden viel. En nu zit hij in Zuid-Frankrijk met haar. Waar ik jaren om gezeurd heb, krijgt zij binnen een paar weken in haar schoot geworpen. Dit is dus mijn zomer. Op mijn vierentwintigste al afgedankt voor een jonger exemplaar en omdat verder iedereen al plannen had, ga ik vier weken met mijn ouders en mijn kleine broertje mee naar de camping, waar ze sinds een jaar een vaste standplaats hebben. En echt, ik ben blij dat ik de komende weken niet ‘s nachts alleen hoef te zijn, maar als ik heel eerlijk ben verheug ik me er ook niet echt op.

De massa auto’s is inmiddels weer in beweging gekomen. ‘We zijn er bijna, hè mamma?’ joelt mijn broertje uitgelaten, en ik zucht chagrijnig bij ieder kilometerpaaltje, ieder bord langs de kant van de weg, tot eindelijk het bord van de camping in zicht komt. Camping De Kievitsberg is een typisch Hollandse gezinscamping midden in het bos, met grasveldjes, een openluchtzwembad en hier en daar wat speeltuintjes waar een paar vaders en moeders gelaten naar hun kleuters kijken, die in felgekleurde regenjassen gestoken aan een druipnat klimrek hangen. Er is een kantine waar ‘s avonds bingo wordt gespeeld, een restaurant, een snackbar, een bowlingbaan en een midgetgolfbaan. Bij de tafeltennistafel achter de kantine staat een groepje jongeren van rond de dertien te blauwbekken in de miezerregen - te jong om alleen op vakantie te gaan, te oud om met pa en moe spelletjes te doen in de voortent bij de caravan. Zodra mijn vader de auto geparkeerd heeft springt mijn broertje naar buiten en rent uitgelaten heen en weer over het veldje. ‘Ik wil naar de speeltuin, mama, gaan we naar de grote speeltuin?’ roept hij. ‘Papa en mama zijn bezig met de vouwwagen. Evelien gaat wel even met je mee.’ Met een zucht hijs ik mezelf overeind en loop achter Robbie aan naar de speeltuin, waar inmiddels helemaal niemand meer te bekennen is. Zucht. Dit wordt echt super.

Als ik terug ben moet ik mijn eigen tentje nog opzetten en mijn luchtbed oppompen, daarna moet ik voor mijn moeder naar de campingwinkel en tegen de tijd dat we aan de witte plastic tuintafel zitten te eten ben ik bekaf en wil ik alleen nog maar met mijn iPod op in de stretcher liggen. ‘Als papa en jij nou straks even afwassen dan kun jij daarna even met Robbie naar het avondverhaaltje,’ regelt mijn moeder. ‘Moet dat echt?’ ‘Ja, dat moet echt,’ zegt mijn moeder met een onuitstaanbare blik op haar gezicht. ‘Ik heb echt geen zin om de hele tijd achter mijn broertje aan te moeten rennen. Ik heb ook vakantie.’ ‘Luister, Evelien. Zolang je met ons op vakantie bent, draai je mee in het gezin. Dat houdt dus ook in dat je af en toe even iets met Robbie moet doen wat je zelf misschien niet heel leuk vindt, maar wat je gewoon voor hem doet.’ ‘Als jullie maar niet denken dat ik vier weken lang voor oppas ga spelen, dan zit ik net zo lief thuis,’ snauw ik. ‘En als jij zo gaat beginnen dan zet ik je morgen met al je spullen op de trein. Dan kun je inderdaad de komende weken gewoon thuis gaan zitten. Zo gaan we hier niet met elkaar om en dat weet jij dondersgoed.’ Ik wil bijna iets vervelends terugzeggen, want ik heb nou eenmaal een pesthumeur en mijn ouders werken me momenteel verschrikkelijk op de zenuwen, maar dan vang ik de blik van mijn broertje. Zijn lip trilt en hij kijkt me met grote, verdrietige ogen aan. Ik geef hem een aai over zijn bol. ‘Ik ga wel met je mee, oké?’ ‘Maar net zei je dat je niet wilde.’ ‘Soms zeggen mensen wel eens nare dingen als ze niet lekker in hun vel zitten.’ ‘Wat is dat?’ ‘Dat je je niet lekker voelt omdat je verdrietig bent. Daarom was ik daarnet niet zo aardig tegen je. Maar ik ga straks gewoon met je mee. Maak je maar geen zorgen.’ ‘Ben je nu dan ook verdrietig?’ vraagt Robbie bezorgd. ‘Een beetje maar,’ lieg ik. Robbie kijkt me lief aan. ‘Om Sander, hè.’ Ik slik. ‘Ja, schat. Om Sander.’ Als ik even later Robbies warme handje in mijn hand voel en hem honderduit hoor kletsen, voel ik dubbel spijt dat ik aan tafel zo aan het zeiken was. Mijn broertje is een schat en ik moet er absoluut voor zorgen dat ik mijn baalbuien niet op hem afreageer. Misschien moet ik juist wel een voorbeeld nemen aan zijn vrolijkheid en zorgeloosheid. Toen ik zo oud was als hij, liet ik door niets en niemand mijn zomervakantie bederven, niet door regen, niet door files en al helemaal niet door een ex. In die tijd wist ik nog niet eens wat dat was. Ideaal.

Ik doe mijn best om die positieve gevoelens vast te houden, maar het wil niet echt lukken. Het avondverhaaltje is flauw en veel te langdradig en na vijf minuten ben ik de draad al kwijt. Robbie joelt, juicht en klapt gebroederlijk met de andere kinderen mee. Verveeld kijk ik naar de mensen van het recreatieteam, die tot overmaat van ramp ook nog eens verschrikkelijk slecht acteren. Het meisje op het podium is wel jaloersmakend mooi, zelfs die afzichtelijke roze verkleedjurk en die rare schmink staan haar nog goed. Ze doet me denken aan de nieuwe vriendin van Sander, dat is ook zo’n toonbeeld van perfectie.

Naast het mooie meisje staat een slungel van een jaar of zeventien zich duidelijk verschrikkelijk opgelaten te voelen. De andere jongen lijkt wat ouder, meer van mijn leeftijd. Hij ziet er wel oké uit. Mooie ogen heeft hij, met heel lange, donkere wimpers. Ik probeer zo onopvallend mogelijk te kijken welke kleur ze zijn. Als onze blikken elkaar kruisen, gaat er een aangenaam kriebeltje door mijn buik. Groen. Ze zijn groen. ‘Prins Paddenstoel,’ roept de slungelige jongen. ‘Ik zal jou vertellen wat jij moet doen om Prinses Spillebenia’s hart te ontdooien en de boze vloek van Tovenaar Tiborius op te heffen. Jij zult haar moeten betoveren.’ ‘Maar Koning Habbekrats, ik kan toch helemaal niet toveren.’ ‘Luister naar mij, Prins Paddenstoel. Jij zult Prinses Spillebenia moeten betoveren.... door haar te kussen!’ Mijn God, wie heeft dat verhaal geschreven? In groep 4 schreef ik nog betere verhalen. Wát een onzin, zeg. Prinses Spillebenia is trouwens wel erg treffend. Jaloers kijk ik naar haar lange, slanke figuur en werp een snelle blik op mijn eigen benen. Nee, ze zullen mij niet snel zo noemen. ‘Ik durf Prinses Spillebenia niet te kussen,’ jammert Prins Paddenstoel. ‘Je moet!’ ‘Maar ik heb nog nooit een meisje gekust. Ik weet niet of ik het kan. Als het niet goed gaat, zal Prinses Spillebenia nooit door mij betoverd raken en dan zal de vloek van Tovenaar Tiborius nooit worden verbroken. Misschien... misschien moet ik eerst een ander meisje kussen om te ontdekken of ik het wel kan.’ Voor ik me realiseer wat er gebeurt, loopt Prins Paddenstoel de zaal in, grijpt me vast en kust me stevig, vlak naast mijn mond. Het duurt maar een seconde of minder, maar het lijkt in slow motion te gaan. Hij ruikt naar zeep en een beetje naar kauwgom. De kinderen in de zaal beginnen te klappen en te joelen. Mijn broertje kijkt naar me met grote ogen. Prinses Spillebenia kijkt ook naar me, maar haar ogen zijn kleine, venijnige spleetjes, alsof ze het liefst van het podium wil stappen om me een kopje kleiner te maken met het geknakte plastic zwaard van Prins Paddenstoel.

‘Mama, mama. een prins ging Evelien kussen!’ roept Robbie opgewonden. ‘Toe maar! Wat voor prins dan?’ ‘Een hele knappe,’ zeg ik met een grijns en trek me dan terug in mijn tentje. Ik heb even tijd nodig. Niemand hoeft te weten dat ik een beetje van slag ben. Niet dat ik verliefd ben of zo, want dat gaat natuurlijk niet zo snel. Als je net een paar weken single bent en sinds je zestiende niet naar iemand anders hebt gekeken dan je ex dan sta je niet zomaar in vuur en vlam van de eerste de beste min of meer leuk uitziende jongen die je op een camping tegenkomt. Het is meer een waakvlammetje dat uitgeblazen was door mijn ex en dat nu toch weer brandt. Ik ben te oud om in sprookjes te geloven en ik ben ook niet bepaald een prinses, maar er is wel een soort negatieve betovering verbroken, al was het dan maar een oefenkus. Misschien, heel misschien dat het toch niet zo’n slechte zomer wordt.


Volgende: deel 2

144 keer bekeken

© 2023 by T.S. Hewitt. Proudly created with Wix.com