• Susan van Eyck

Wisselvallige dagen deel 11 - Floris

Bijgewerkt: 10 aug 2018


Als ik thuiskom van mijn werk, loop ik meteen door naar de keuken om koffie te zetten. Mijn ouders hebben nog een ouderwets filterapparaat, omdat mijn vader niet houdt van cappuccino, latte macchiato, espresso en al die andere moderne koffiesoorten met smaakjes. Een wolkje melk en een zoetje, zo vindt hij het lekker. Al jaren.

Als fervent koffieliefhebber denk ik daar anders over, maar goed, deze koffie is niet bedoeld om lekker te zijn. Deze koffie hoeft alleen maar loeiheet en sterk te zijn, als een vloeibare, zwarte cocaïneshot, zodat ik de komende uren niet in slaap sukkel. Het liefst zou ik gewoon mijn bed in duiken, maar ik heb werk dat af moet.

Met een grote mok zwarte koffie in mijn hand en mijn werktas over mijn schouder loop ik naar mijn kamer. Ik staar uit het raam naar de avondlucht boven de daken. Gek hoe dit uitzicht zo vertrouwd is en tegelijk zo vreemd. Met een zucht trek ik het rolgordijn omlaag, knik het licht aan en gooi mijn tas op bed. Mijn spullen stal ik uit op mijn oude bureautje. Heel even aai ik met mijn vingers over het gladde hout. Hoe lang heb ik dit bureau inmiddels al wel niet? Ik heb het gekregen toen ik een jaar of negen, tien was en mijn ouders onze kamers gingen opknappen. We mochten zelf een bureau uitkiezen. Mijn zus koos een knalroze triplex bureautje dat ze na een paar jaar alweer zat was, maar ik hield toen al van tijdloos, dus ik koos een stevig bureau met metalen poten en een massief grenen blad. Er zitten hier en daar wat inktvlekken, op sommige plekken zie je letters in het hout gekerfd, waar mijn balpen door het papier heen heeft gedrukt als ik erg driftig zat te pennen, maar voor de rest ziet het er nog keurig uit. Het donkerblauwe pennenbakje dat ik op de basisschool al had staat nog in de hoek van het bureau, vol pennen, tekstmarkers, potloden, paperclips, gummetjes, een passer en een paar memoblaadjes. Hoeveel middagen heb ik wel niet aan dit bureau doorgebracht met mijn huiswerk? Alles bij elkaar opgeteld moeten het echt jaren zijn. Schriftelijke overhoringen, proefwerken, schoolonderzoeken, boekbesprekingen, wiskundesommen, werkstukken, vaak alleen, soms samen met Manon, die niet goed was in rekenvakken, waarmee ik haar dan moest helpen, iets waar meestal weinig van terecht kwam omdat we te verliefd waren om ons op zoiets stoms als huiswerk te concentreren. School. Die hele periode lijkt opeens zo ver weg, alsof er tientallen jaren tussen hebben gezeten, terwijl het eigenlijk nog maar zes jaar geleden is dat ik slaagde voor mijn eindexamen.

En nu zit ik hier met mijn laptop, mijn werktelefoon, ordners vol papieren. Ik heb een baan en een salaris waar ik toen niet van durfde te dromen, maar toen lag de wereld aan mijn voeten en nu voel ik me alsof ik terug bij af ben. Man van vierentwintig, hoge functie bij een verzekeraar, goed inkomen, single, terug bij pap en mam.

Ik had gisteren vijf gemiste oproepen op mijn privémobiel en vier op mijn werkmobiel, maar ik heb niet gereageerd. Niet omdat ik haar niet mis, in tegendeel, ze is iedere seconde van de dag wel ergens in mijn hoofd aanwezig. Ik kan gewoon nu niet met haar geconfronteerd worden. Haar gezicht zien, haar stem horen, ik kan het niet. Want hoeveel ik haar ook mis, ik kan ook niet terug. Het is misschien laf dat ik op deze manier ben weggegaan, maar ik heb voor mezelf eigenlijk al een keuze gemaakt. Ik wil geen gezin. Niet omdat ik een hekel heb aan kinderen, maar omdat ik met eigen ogen heb gezien hoeveel impact een baby heeft. Het is niet dat ik niet gek ben op mijn broertje, maar voor mezelf is het een schrikbeeld, zo’n piepklein mensje van nog geen vijftig centimeter groot dat al het andere in je leven bijzaak maakt. Ik kan dat niet. Ik heb daar geen ruimte voor. Ik heb keihard gewerkt om te komen waar ik ben en ik kan dat niet uit mijn handen laten vallen voor iets waar ik zelf niet voor gekozen heb. In mijn leven is geen ruimte voor een baby. Op dit moment is er zelfs niet eens ruimte om na te denken over de mogelijkheid van een baby. Ik kom om in het werk.

Ik zet mijn laptop aan, controleer vlug mijn mail en start dan de bedrijfssoftware op. Eigenlijk is het gekkenwerk, het is nota bene weekend, ik ben na de min of meer verplichte vrijdagmiddagborrel nog teruggegaan naar mijn werkplek om dit verder af te maken, mijn ogen vallen haast dicht en voor het eerst in al die maanden baal ik echt dat ik niet gewoon kan toegeven aan mijn moeheid, maar ik moet dit nu afmaken, ik moet deze berekeningen vanavond nog maken, anders red ik het niet om voor het eind van het weekend alle cijfers in een overzicht te zetten en naar mijn baas te mailen. Maandag is de deadline, dus ik kom in de knoei als ik dit nu laat liggen.

Op de een of andere manier kom ik er niet uit. Ik weet niet of ik moe ben of gewoon teveel afgeleid, maar het lijkt wel alsof ik een onmogelijk raadsel moet oplossen. Zelfs de software werkt niet mee. Geërgerd schuif ik mijn laptop aan de kant en trek de bovenste bureaulade open op zoek naar mijn oude grafische rekenmachine, maar het eerste wat ik zie is een briefje met het ronde schoolmeisjeshandschrift van Manon, bovenop een hele stapel oude kaarten, brieven en foto’s uit onze verkeringstijd. Ik wil snel de la dichtdoen, vergeten wat ik zag, maar mijn hand gaat naar de la en pakt het stapeltje eruit. Valentijnskaartjes met beertjes erop. Briefjes, stiekem geschreven tijdens de les, met heel veel xxx-jes eronder. Pasfoto’s uit zo’n hokje. Een ansichtkaart uit Cortina D’Ampezzo. Foto’s van onze eerste vakantie samen. Foto’s van de Italiëreis. Daar begon het allemaal. De jongens stiekem bij de meiden op de hotelkamer, zij droeg alleen een slaapshirt met Snoopy en een boxertje. Ik weet nog dat ik die avond opeens gek werd van die wiebelende borsten zonder beha onder dat dunne laagje stof en dat warrige donkere haar. Ik wilde er doorheen woelen, met mijn handen onder dat shirt gaan, maar ik durfde amper tegen haar te praten, zelfs niet na een halve fles Feigling. Ze zoende me die nacht, maar het was een dronken zoen, we hadden allebei teveel op en ik dacht dat het daarbij zou blijven, maar toen we de volgende dag met de hele klas door Rome liepen kwam ze naast me lopen en vertelde dat ze me serieus leuk vond. Toen was het bij mij ook wel echt raak. We waren samen en dat bleef zo.

Onderaan het stapeltje ligt een foto van een kerstdiner toen we een jaar of zeventien waren. Mijn zus, haar ex, Manon en ik tijdens het kerstdiner, in onze mooiste kleren. Grappig hoe mijn zus en ik weinig met elkaar gemeen hebben, maar er in de liefde blijkbaar precies hetzelfde patroon op nahouden. Allebei lang samen gebleven met onze middelbare schoolliefde, allebei weer single. We lijken meer op elkaar dan we dachten.

Ik kijk naar Manon, die stralend in de camera kijkt. Ze draagt een laag uitgesneden, strak fluwelen jurkje met een knielange rok, het jurkje dat ze ook droeg tijdens kerstgala, net daarvoor. Het stond haar zo mooi, zoals alles haar eigenlijk mooi stond. Of staat. Of…

Ik leg de foto neer en veeg met mijn hand langs mijn gezicht. Mijn wangen zijn nat. Ik heb geen tijd om te huilen. Ik wil ook niet huilen, ik wil niet meer denken aan hoe het was tussen ons en hoe het nooit meer zal worden. Elke gedachte aan haar moet ik negeren, ver weg stoppen, anders kan ik me niet focussen. En ik moet me focussen. Ik moet door.

Vlug leg ik het stapeltje terug op z’n plek, duw met een klap de la dicht en pak mijn spullen. Ik hou het niet meer uit in deze kamer, ik werk wel verder aan de eettafel.

Concentreren. Doorgaan.


Volgende: deel 12

Vorige: deel 10

26 keer bekeken

© 2023 by T.S. Hewitt. Proudly created with Wix.com