© 2023 by T.S. Hewitt. Proudly created with Wix.com

  • Susan van Eyck

Wisselvallige dagen deel 12 - Sander


Ergens in de verte hoor ik een stem die mijn naam roept. Ik voel iets in mijn zij en ik word ruw heen en weer geschud. De stem wordt iets harder, iets duidelijker, maar ik kan het nog niet plaatsen. Sloom open ik mijn ogen en ga rechtop zitten. Heel even heb ik geen idee waar ik ben, dan druppelt de informatie beetje bij beetje binnen. Ik ben in het appartement in Argelès-sur-Mer, het is nog donker. De stem is van Fleur, de handen ook. Ze lijkt overstuur, maar ik heb geen idee waarom. Ik kom nog wat verder overeind en kijk naar het reiswekkertje. Tien voor half drie. Wat is er in godsnaam aan de hand?

‘Je zei haar naam.’ Fleur huilt. ‘Alweer.’

‘Wat? Waar heb je het over?’

‘Je zei de naam van je ex.’ Fleur draait zich van me af en gaat op het randje van het bed zitten. Ze snikt hartstochtelijk. ‘Je zei de hele tijd: Evelien, Evelien.’

‘Wanneer dan?’ vraag ik verbaasd.

‘Daarnet, in je slaap. Je zei steeds haar naam. Gisteren ook al.’

‘Ja, maar Fleur...’ Ik ga naast haar op het randje van het bed zitten. ‘Ik kan er toch niks aan doen wat ik in mijn slaap zeg?’

‘Jawel. Jawel, het betekent iets.’

‘Wat betekent het dan?’

‘Dat je nog steeds aan haar denkt,’ zegt ze gesmoord.

‘God, Fleur, natuurlijk denk ik nog aan haar. Het is net anderhalve maand uit. Wat had je dan gedacht, dat ik haar meteen uit mijn systeem zou hebben gewist?’

‘Ik ben er nu toch?’

‘Ja, maar dat betekent niet dat je haar gewoon kunt vervangen. Ik ken jou net een paar maanden, ik ben eeuwen met haar geweest. Ik ben geen computer waar je gewoon een bestand uit kunt wissen en een ander bestand op kunt slaan.’

‘Je houdt gewoon nog van haar, geef het nou maar toe.’

‘Oké. Je hebt gelijk,’ hoor ik mezelf tot mijn grote schrik zeggen.

Fleur houdt acuut op met snikken en kijkt me perplex aan. ‘Wat?’

Ik sla mijn ogen neer. Het is pijnlijk om te moeten toegeven, maar ze heeft gewoon gelijk. Het is echt zo. Ik hou nog steeds van haar. Het dringt alleen nu pas tot me door. Wat ik voor Fleur voel is aantrekkingskracht, spanning, een soort oppervlakkige verliefdheid, maar ze haalt het gewoon niet bij Evelien. De afgelopen dagen hier in Argelès-sur-Mer heb ik ze de hele tijd onbewust met elkaar vergeleken en iedere vergelijking viel uit in het voordeel van mijn ex. We delen zoveel met elkaar, zoveel mooie, gekke, bijzondere herinneringen, zoveel inside jokes, zoveel persoonlijke dingen die wij van elkaar weten en die niemand anders weet. Hoe ze tegen de televisie praat als de film heel spannend is. De manier waarop ze eten kookt, met 3FM op de achtergrond, waar ze dan vervolgens zo geconcentreerd naar luistert dat ze de helft aan laat branden. Haar enorme verzameling goedkope zonnebrillen die overal rondslingeren omdat ze zonnebrillen altijd kwijtraakt waardoor ze steeds weer opnieuw koopt. Haar voorkeur voor golden oldies. Ik zie haar voor me met haar bruine krullen, haar vrolijke bruine ogen en de sproetjes op haar neus en opeens kan ik me niet meer voorstellen dat ik haar ooit minder mooi heb gevonden dan Fleur. Ze is misschien wat minder slank en afgetraind, maar dat lijkt opeens zo onbelangrijk.

‘Hoe kan je dat nou zeggen?’ Fleur begint nu echt in paniek te raken. ‘Hoe kan je dat nou zeggen, je hebt toch voor mij gekozen? Je hebt het toch uitgemaakt voor mij? Ik weet dat ik vaak jaloers ben, maar ik had niet verwacht dat je echt zou zeggen dat... dat...’ Wanhopig kijkt ze me aan. Alsjeblieft, stel me gerust, lees ik in haar ogen, zeg dat het niet waar is wat je net zei. Zeg dat je van mij houdt en niet van haar. Zeg het.

Maar ik kan het niet.

‘Sorry...’ Ik fluister het bijna. ‘Sorry, ik... ik heb een fout gemaakt. Het spijt me.’

‘Maar je zei dat je verliefd op me was.’

‘Ik dacht dat ik verliefd op je was, maar het was blijkbaar iets anders. Behoefte aan spanning misschien, of onvrede in mezelf, weet ik veel. Het enige wat ik nu weet is dat ik haar mis.’

In een onverwachte beweging springt Fleur op en maait alles wat er binnen haar bereik is tegen de grond. Kleren vliegen door de lucht, ze rukt het laken van het bed en smijt het neer. ‘Klootzak!’ schreeuwt ze. ‘Ik dacht dat je van me hield, maar je hebt me gewoon gebruikt! Met je behoefte aan spanning en je onvrede en je hele midlife crisis!’

Hijgend stort ze neer op het kale matras en snikt het uit. Ik wil haar troosten, maar ze duwt me ruw van zich af. ‘Rot op!’

‘Het spijt me,’ zeg ik nog eens.

Langzaam kijkt ze op. Ze ziet er totaal verwilderd uit, haar haren door de war, haar gezicht vol tranen. ‘Het spijt je,’ herhaalt ze. ‘En daar kan ik het mee doen. Dank je wel. Nou, het spijt mij ook. Het spijt me dat ik hier ooit naartoe ben gegaan. Het spijt me dat ik je ooit heb ontmoet!’ Ze begint weer te huilen, heel zachtjes en zielig. ‘Ik wil naar huis!’

‘We gaan ook naar huis.’ Ik steek mijn hand uit om haar rug te aaien, maar trek ‘m snel weer terug als ik haar zie verstijven. ‘We gaan. Morgenochtend.’

‘Ik wil nu.’ Ze trekt haar koffer onder het bed vandaan en begint haar rondslingerende spullen erin te proppen.

‘Fleur, doe nou even realistisch. We kunnen niet nu weggaan. Het is nacht. We moeten toch de sleutels inleveren bij de receptie?’

‘Gooi ze maar in de brievenbus. Ik wil nu rijden.’ Ze kijkt me aan met grote, betraande ogen. ‘Alsjeblieft, Sander? Wil je me alsjeblieft nu naar huis brengen.’

Even denk ik aan de honderd euro borg die ik waarschijnlijk op mijn buik kan schrijven als we nu vertrekken, maar dan realiseer ik me hoe Fleur zich nu moet voelen. Afgedankt, alleen en een miljoen kilometer van huis. Ze heeft gelijk. We gooien de sleutels in de bus en we gaan.

In rap tempo pakken we elk onze spullen in. We zeggen niks meer tegen elkaar. Ik maak de bedden op, sjouw de koffers naar de auto en haal nog snel een bezem door het appartement. Fleur belt buiten met haar ouders. God, wat zullen zij me haten. En terecht. Waarschijnlijk hadden ze haar allang tegen me gewaarschuwd. Had ze maar geluisterd, dat had ons allemaal een hoop ellende bespaard. Ik wil haar nu niet de schuld geven, maar wat zou ik de tijd graag terugdraaien. Ik kan alleen maar hopen dat ze nog genoeg van mij houdt om me dit te kunnen vergeven.

Voor de allerlaatste keer kijk ik het appartement rond, dan draai ik de deur op slot. Daar gaan we dan. Terug naar Nederland.


Volgende: deel 13

Vorige: deel 11

23 views