• Susan van Eyck

Wisselvallige dagen deel 13 - Evelien

Bijgewerkt: 11 aug 2018


Had ik maar nooit tegen mijn moeder gezegd dat er vanavond een feest zou zijn. Sinds ze dat weet vindt ze opeens dat het ongezond is voor een jonge vrouw van vierentwintig om de hele zomer lang rummicub te spelen in de caravan van haar ouders. Opeens moet ik dingen ondernemen, nieuwe mensen leren kennen, erop uit. Ze bleef er maar op doorhameren, volgens mij was ze in staat geweest om me vast te binden in het kinderzitje achterop de fiets en me hoogstpersoonlijk bij de kantine af te leveren. Dus ben ik uiteindelijk maar gegaan.

Er is hier niemand van mijn leeftijd. Het publiek bestaat grotendeels uit kinderen tussen de tien en dertien jaar, net oud genoeg om een disco leuk te vinden, maar te jong om al echt uit te mogen. Hier en daar zie ik nog wat mensen in de leeftijd van mijn ouders, voor de rest zijn er alleen mensen die hier op de camping werken. Bibi is er ook, ze draagt een topje dat meer uit touwtjes bestaat dan uit stof en staat druk met een paar andere meiden te kletsen. Noah zie ik niet. Aan de ene kant merk ik dat ik dat jammer vind, aan de andere kant zou ik me opgelaten voelen als hij me zo in mijn eentje zag. Alsof ik hier alleen maar ben gekomen om hem te kunnen zien. Ik bedoel, oké, hij heeft me zelf gevraagd en ja, we hebben leuk zitten praten een paar dagen geleden, maar uiteindelijk is hij hier gewoon aan het werk.

Misschien moet ik maar weer gewoon teruggaan naar de caravan en tegen mijn moeder zeggen dat ik het geprobeerd heb. Al ben ik bang dat ze daar geen genoegen mee zal nemen. Ik ben er tenslotte net een kwartier. Dan maar een drankje bestellen. Ik ben er nu tenslotte toch. En de muziek is best leuk. Ik hou wel van oude nummers. Daarbij ben ik volwassen, ik ben eigenlijk te oud om me ervoor te schamen dat ik alleen ben. Ik ga ook zo vaak in mijn eentje lunchen als ik zin heb. Of in mijn eentje naar de bioscoop als niemand anders de film wil zien. Dus waarom zou ik niet in mijn eentje op een feest kunnen zijn, gewoon voor de sfeer, om lekker mensen te kijken?

Ik bestel nog een biertje, luister naar de muziek en kijk naar de dansende mensenmassa. Noah had gelijk, ze draaien echt alles, in de meest onlogische volgorde. Paradise by the Dashboardlight. Billy Jean. Rythm is a Dancer. Ode to the Bouncer. Dancing Queen. Kingston Town. Ik bestel nog een biertje en zing heel zachtjes mee met de eerste regels van Hungry Eyes, een nummer uit Dirty Dancing, een van mijn lievelingsfilms. Heerlijk nummer.

Iemand pakt mijn hand en trekt me voorzichtig mee de dansvloer op. Hij slaat zijn armen om mijn middel en zonder nadenken sla ik de mijne om zijn nek.

‘Dus je bent er toch?’ zegt hij zacht.

‘Ik ben er de hele tijd al.’

‘Ik moest helpen bij de technische dienst, er waren mensen tekort.’ Zijn mond is heel dicht bij mijn oor, ik kan zijn adem voelen. ‘Ik hoopte al dat ik je nog zou zien.’

Zijn handen bewegen over mijn rug, mijn vingers kriebelen in zijn nek en door zijn haar. Verder staan we bijna stil, alsof we een eilandje zijn tussen de dansende mensen. Hij kijkt me ernstig aan en geeft me een kus op mijn mond, zo zacht dat het meer een soort streling is, een voorzichtige aanraking die me helemaal gek maakt. Ik wil meer. Veel meer.

‘Ik wil alleen met je zijn.’ Zijn lippen raken nu zacht mijn oor. ‘Ga je mee?’

Ik knik langzaam.

‘Wacht op me bij het muurtje. Ik kom over een paar minuten.’

Buiten sta ik te trillen op mijn benen, alsof ik voor het eerst in mijn leven gekust ga worden. Ik ben zo lang met dezelfde persoon geweest dat het eigenlijk ook wel zo voelt. Alsof dit een heel nieuw leven is en ik een ander persoon ben die alles weer opnieuw gaat meemaken.

Het duurt lang en even ben ik bang dat hij niet meer komt, maar dan staat hij naast me en pakt mijn hand, zijn vingers door de mijne verstrengeld. Als we bij de slagboom zijn kust hij me echt, heel rustig en beheerst, alsof het een filmkus is die perfect op beeld moet staan. Dan trekt hij me weer mee. ‘Kom.’

‘Waar gaan we naartoe?’ vraag ik zacht.

‘De zandvlakte in het bos.’

Het is stikdonker in het bos. Eigenlijk ben ik bang in donkere bossen, zelfs nachtwandelingen met een groep durf ik eigenlijk niet echt aan. De geluiden van nachtdieren, het gekraak van takken, de stukken waar je geen hand voor ogen ziet, de angst om te vallen, om de anderen kwijt te raken, om de nacht door te moeten brengen in het bos, ik vind het doodeng. Nu ik met Noah ben voelt het anders. Ik ga zo in hem op, ben zo gefocust op elke aanraking en op wat er komen gaat dat ik er nauwelijks bij stil sta dat het donker is of dat we door een bos lopen. Af en toe staan we stil om te zoenen, steeds heftiger en wilder en als we op de open plek zijn is er helemaal niets meer over van dat rustige en beheerste. Hij hapt, bijt, zuigt en kreunt, zijn handen zijn overal en nergens. Hij pakt mijn hand en legt die op zijn stijve, fluistert met onvaste stem dat hij wil dat ik voel wat ik met hem doe. Mijn hand schrikt niet terug van de aanraking, ik schrik niet van hem, zoals dat bij iedere andere man en in iedere andere situatie zou gaan. Ik duw mijn hand er tegenaan, buig mijn vingers er omheen en met mijn andere hand begin ik zijn knopen los te maken. Hij maakt de knopen van mijn bloesje los en gaat met zijn mond via mijn hals naar mijn borsten, zijn tong langs mijn tepels. Dan trekt hij in één beweging mijn shortje en mijn string uit. Ik wil hem in me voelen, nu meteen, en dat zeg ik ook, ik roep het, ik schreeuw het. Nog nooit in mijn leven ben ik zo ongeremd geweest. Noah lijkt ook iedere remming kwijt te zijn. Hij lijkt wel in trance, de manier waarop hij stoot, steeds harder en harder. Ik manoeuvreer mezelf bovenop hem en kijk naar zijn gezicht. Zijn ogen zijn half dicht, zijn mond is open, met zijn handen op mijn heupen beweegt hij me op en neer, steeds sneller en sneller en dan is het voorbij.

We liggen naast elkaar in het zand. De lucht is nog steeds warm en het is een heel heldere nacht, je kunt een heleboel sterren zien. Het is volle maan.

‘Sorry,’ zegt Noah zacht.

‘Sorry voor wat?’

‘Dat dit zo snel ging. Ik hoop niet dat je nu denkt dat het me hierom te doen was. Ik bedoel, natuurlijk wilde ik dit wel, ik wilde dit zo graag dat ik er haast gek van werd, maar ik wil meer dan dit alleen. Ik wil gewoon jou. Niet alleen je lichaam, maar echt jou.’

Ik draai me op mijn zij en kus hem, zijn schouder, zijn nek, zijn oor, zijn wang en als laatste zijn mond. Net op tijd slik ik een ik hou van jou in. Het is te vroeg. Veel te vroeg. Maar ik voel dat het begint. Dat het groeit. ‘Ik voel hetzelfde,’ zeg ik.

Noah draait zich ook naar mij toe en slaat zijn arm om me heen. We zoenen, we strelen elkaar, we kijken elkaar aan. Mijn ledematen ontspannen, het liefst zou ik hier de hele nacht blijven liggen, maar ik weet dat we zo terug moeten. Ik wil dat moment alleen zo lang mogelijk uitstellen. Alles is zo perfect nu, ik wil niet dat het stopt.

De magie wordt verbroken door het geluid van mijn mobiele telefoon.

‘Moet je niet opnemen?’ vraagt Noah loom.

‘Geen zin.’ Ik begraaf mijn gezicht in zijn nek. ‘Ze bellen maar een andere keer terug.’

Het geluid stopt, maar begint een paar seconden later weer opnieuw.

‘Ik zou toch maar even opnemen voor de zekerheid. Misschien is er wel iets gebeurd.’

Met een zucht kom ik overeind, vis mijn telefoon uit de zak van mijn shortje en kijk op het display. Nummeronderdrukking. Even overweeg ik om gesprek weg te drukken, maar dan opeens ben ik bang dat er inderdaad iets ergs is gebeurd. Waarom zou iemand me anders op zaterdagavond laat willen bellen? Stel dat het de politie is of god weet wie...

Misschien is er wel iets met mijn ouders of met mijn broer...

Snel neem ik op en druk angstig de telefoon tegen mijn oor. ‘Hallo?’

‘Evelien? Met Sander...’


Volgende: deel 14

Vorige: deel 12

25 keer bekeken

© 2023 by T.S. Hewitt. Proudly created with Wix.com