• Susan van Eyck

Wisselvallige dagen deel 20 - Floris

Bijgewerkt: 17 aug 2018


Kreunend kom ik overeind en grijp meteen naar mijn hoofd. Au. Mijn kater is duidelijk nog steeds niet helemaal over.

Volgens mij heb ik me nog nooit in mijn leven zo ziek gevoeld. Het begon ongeveer een half uur nadat Anna op hoge poten was vertrokken en het ging maar door en door tot het eind van de ochtend. Het was niet alleen de alcohol, het leek alsof alle gevoelens van boosheid, frustratie en moeheid zich samenbalden in mijn lichaam en zich met geweld een weg naar buiten baanden. Toen ik eindelijk helemaal leeggekotst was, ben ik in bed gekropen en in een diep, inktzwart gat gevallen. Ik heb geen idee hoe lang ik heb geslapen. Misschien een uur, misschien vier dagen. Het enige wat ik weet is dat mijn hoofd aanvoelt alsof er een zware, kogel in zit, zo’n glimmende bal uit een flipperkast die maar rond blijft rollen tot mijn gehele herseninhoud bont en blauw gebeukt is.

Voorzichtig kom ik nog wat verder overeind. De misselijkheid is gelukkig wel redelijk weg, maar ik voel me nog wel behoorlijk duizelig en lamlendig. De warmte helpt niet echt mee. Het lijkt wel alsof het met de dag warmer en benauwder wordt. Bij elke beweging die ik maak bonkt de flipperbal een beetje harder tegen mijn schedel en ik hou mijn hoofd met twee handen vast. Zo blijf ik een tijdje heel stil zitten. Dan hoor ik opeens voetstappen in de gang, ze komen dichterbij. Met een ruk kijk ik op als de deur van mijn kamer opengaat. Au, au, verdomme, mijn kop. Ik knipper met mijn ogen, het licht dat van de gang komt is te fel en het kost me moeite om de gestalte in de deuropening scherp op mijn netvlies te krijgen, alsof ik een fototoestel ben met een kapotte autofocus. Dan zie ik wie er staat.

‘Pap? Wat doe jij nou hier?’

‘Dat kan ik beter aan jou vragen, vind je ook niet? ’ Mijn vader slaat zijn armen over elkaar en neemt me langzaam op. Hem ontgaat niks, mijn kater, mijn hoofdpijn, mijn hele pathetische toestand.

‘Ik heb problemen met Manon.’

‘Dat gedeelte is me bekend. Ze zei al dat je haar even niet wilde zien en dat je hier naartoe was gegaan.’

‘Hebben jullie haar gesproken dan?'

‘Ze belde ons op omdat ze je wilde spreken en ze kon je niet bereiken. Mama heeft haar gevraagd of ze naar de camping wilde komen.’

‘Dan weten jullie zeker ook al dat ze zwanger is. En natuurlijk staan jullie aan haar kant en ik ben de grote klootzak die zijn zwangere vriendin in de steek heeft gelaten.'

‘Floris toch.’ Hoofdschuddend kijkt mijn vader me aan. ‘Wanneer word jij nou eens een keer volwassen, jongen?’

‘Omdat ik geen kind wil? Omdat ik een keer niet de perfecte zoon ben over wie jullie kunnen opscheppen? Ik heb een baan, een huis, ik ben financieel zelfstandig, dus kom niet aan met termen als volwassen. Ik bén volwassen, pap. Daarvoor hoef ik niet eerst aan jouw ideaalplaatje te voldoen.’

‘Floris, niemand beweert dat jij aan een ideaalplaatje moet voldoen. Of de ideale zoon moet zijn. Of dat je kinderen moet willen. Dat is allemaal aan jou. Iedereen is daar vrij in. Als jij je werk het belangrijkste vindt dan is dat jouw keuze. En begrijp me goed, ik zie heus wel dat je veel hebt bereikt, dat je daar hard voor hebt gewerkt, dat je veel verantwoordelijkheden hebt op je werk, dat zie ik allemaal, maar volwassen zijn gaat om veel meer dan dat. Volwassen zijn gaat ook om de verantwoordelijkheden in je privéleven, die soms veel zwaarder zijn omdat je niet aan het eind van een werkdag de deur achter je dicht kan trekken, omdat het veel dichterbij komt en moeilijker te behappen is. Volwassen zijn gaat erom dat je dan niet wegloopt. Dat je keuzes durft te maken, dingen samen oplost, als twee volwassen mensen, in plaats van dat je lijnrecht tegenover de ander staat.’ Mijn vader komt naast me op bed zitten. ‘En dan nog wat, Floris, toen Manon bij ons op de camping was heeft ze er met geen woord over gerept dat ze zwanger was. Je moeder en ik zagen dat er iets met haar was, maar ze wilde er absoluut niet over praten. Het was iets tussen jou en haar, zei ze.’

‘Waar is ze nu dan?' vraag ik.

‘Ze ligt in het ziekenhuis.’

De schok gaat door mijn hele lijf. Ik voel geen pijn meer in mijn hoofd, het enige gevoel dat ik nog ervaar is angst, pure angst. ‘Het ziekenhuis?’ echo ik. ‘Wat is er gebeurd, gaat alles nog goed met haar?’

‘Niet bepaald, nee. Ze is vanmiddag met spoed geopereerd aan een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.

O, mijn god. O, mijn god.

‘Het gaat naar omstandigheden redelijk. Het had heel wat slechter kunnen aflopen, hebben de artsen gezegd, maar ze was er gelukkig op tijd bij, mede doordat je zus zo alert heeft gereageerd en direct de spoedeisende hulp heeft gebeld.’ Mijn vader kijkt op me neer, zijn handen in zijn zij. ‘Jij had er moeten zijn, Floris. Jij bent haar vriend. Jij had haar naar het ziekenhuis moeten brengen, jij had haar hand vast moeten houden toen ze werd onderzocht, jij had naast haar moeten zitten toen ze uit de narcose kwam. Dus vandaar nogmaals mijn vraag: wat doe je hier? Waarom ben je hier? Wat denk je hier te vinden?’

Ik buig mijn hoofd. Mijn vader heeft gelijk. Ik heb geen idee wat ik hier eigenlijk doe. Ik ben alleen maar met mezelf bezig geweest, met mijn werk en met wat ik ervan vond dat ze zwanger was. Geen moment heb ik erbij stilgestaan hoe zij zich voelde. Laat staan hoe ze zich nu moet voelen, in een wildvreemd ziekenhuis, alleen. Hoe maak ik dit in godsnaam ooit nog goed?

‘Denk je dat ze me wil zien?’ Ik slik. ‘Dat ze me ooit nog wil zien?’

‘Er is maar één manier om daar achter te komen, knul.’

Volgende: deel 21 Vorige: deel 19

0 keer bekeken

© 2023 by T.S. Hewitt. Proudly created with Wix.com