• Susan van Eyck

Wisselvallige dagen deel 22 - Sander

Bijgewerkt: 22 aug 2018


Het appartement ziet eruit alsof ze hier een uur geleden nog is geweest. Er liggen kleren over de stoel, op het aanrecht staan kopjes, op de grond ligt een opengeslagen boek met een leeg glas ernaast. Ik glimlach als ik me voorstel hoe ze altijd zit te lezen, in kleermakerszit op het kleed met haar rug tegen de voorkant van de bank. Typisch Evelien om het zo achter te laten als ze weken op vakantie gaat. Het was een van de grote verschillen tussen ons: ik ben opgeruimd, zij een enorme rommelkont, een wervelwind die zelfs troep maakt als ze maar twee minuten thuis is. Nu ze er niet meer is voelt die troep opeens zo vertrouwd. Alsof ze heel dichtbij is en elk moment weer thuis kan komen. Alsof ik nooit ben weggeweest.

Haar vestje is op de grond gegleden. Ik pak het op en begraaf mijn gezicht in de zwarte stof. Misschien verbeeld ik het me, maar het ruikt nog een beetje naar haar. Het is een nieuw vestje, ik heb het haar nog nooit zien dragen. Heel dun, zwart met kant aan de bovenkant. Ze moet het gekocht hebben toen we al uit elkaar waren. Ik pak het op, aai even over het fijne kanten randje aan de onderkant en leg het dan heel voorzichtig terug over de leuning.

Met het vest nog tegen mijn gezicht gedrukt loop ik onrustig door de kamers van ons appartement en opeens zie ik overal dingen die ik nog niet eerder heb gezien. Een nieuwe plant in de vensterbank. Een mok van Blond Amsterdam in de gootsteen. Kartonnen letters in de kast, op de plek waar mijn boeken hebben gestaan. Een schapenvachtje op de houten vloer in de slaapkamer. Een poster van John Lennon op de deur. Een taupe dekbed en een heleboel grijze, lila en roze kussens op het bed. Een zilver gespoten stoel met paarse bekleding, zo eentje met van die antieke krullen, die ze al zo lang leuk vond, maar die ik nooit in huis wilde hebben omdat ik zulke stoelen afschuwelijk vind.

Ze was me duidelijk al aan het loslaten voordat ik terugkwam. En het is mijn eigen schuld.

Ik zak neer op de zilver met paarse stoel, doe mijn ogen dicht en druk het vest tegen me aan alsof zij er nog in zit. Kon ik de tijd maar terugdraaien. Twee maanden maar. Twee maanden is genoeg. Dan is alles gewoon weer zoals het was, zijn we weer zo gelukkig als we waren.

Waarom, waarom moest ik eerst alles kapot maken om in te zien dat ik de perfecte relatie had? We kibbelden soms, we waren tegenpolen, zij druk en chaotisch, ik rustig en soms een beetje te gestructureerd, maar we hielden elkaar in evenwicht, we trokken elkaar altijd weer mee als het even niet ging. Als ik denk aan de relatie die we hadden, van de prille verkering op de middelbare school tot en met het samenwonen in dit huis dan herinner ik me vooral dat we veel konden lachen, om elkaar, om onszelf. Ze was mijn vriendin, maar ook mijn béste vriendin. Ik had verdomme goud in handen en ik heb met een domme fout, een impulsieve beslissing alles aan stukken gegooid. En nu moet ik hier alleen wonen, en ik kan hier niet alleen wonen, want dit appartement is onlosmakelijk verbonden aan haar. Ik ben onlosmakelijk verbonden aan haar.

Dan voel ik een enorme boosheid in me opkomen. Moet je me hier nou zien zitten met mijn theatrale gedoe, zwelgend in zelfmedelijden. Ja, ze is weg, ik ben de liefde van mijn leven kwijt, maar in plaats van dat ik in actie kom en alles doe wat er binnen mijn vermogen ligt om haar terug te winnen, kan ik alleen maar jammeren met mijn gezicht in een vest. Waarom vecht ik niet? Waarom doe ik niet alles, álles wat ik maar kan bedenken om mijn fout recht te zetten? Misschien is ze echt verliefd en als ik zou weten dat ze met hem gelukkiger zou zijn dan met mij dan zou ik dat haar moeten gunnen, maar ik geloof nooit dat hij meer om haar geeft dan ik. Dat hij in die paar weken tijd beter weet hoe hij haar gelukkig kan maken. Ik ben dan misschien een lul, maar ik ben en blijf degene die al haar maffe dingen en zwakke punten kent en die oud met haar zou worden. We waren zielsgelukkig, we hadden nooit echt ruzie, we kenden elkaar door en door, dat moet zij in al die jaren toch ook zo hebben gevoeld? Dat is toch niet zomaar weg?

Ik ga haar niet zomaar opgeven. Al wil ze nu niet, ik ga alles doen om haar te overtuigen van mijn liefde. Zij heeft mij losgelaten, maar pas nadat ik haar had laten gaan, dus ik moet ons nu weer bij elkaar rapen, vasthouden aan wat we hadden, al dreigt ze uit mijn handen te glippen, ik moet mijn nagels erin zetten, ik moet vechten, vechten en nog eens vechten. Haar in laten zien dat ik echt van haar hou. Als ik haar nu gewoon laat gaan, als ik me er zo makkelijk bij neerleg dat het een verloren zaak is, dan is het niet meer dan terecht dat ze voor die ander kiest. Maar dit is een liefde die het waard is om voor te knokken.

Als een gekooide tijger loop ik heen en weer door de kamer. Ik moet haar laten zien wat ze me waard is. Ik moet het haar bewijzen. Niet met woorden, maar met daden.

Opeens komt er een idee bij me naar boven, een briljant idee, al zeg ik het zelf. Ik loop naar mijn bureau, start mijn laptop op en surf naar de site die ik hebben moet. Perfect. Dit is echt het ultieme bewijs dat ik van Evelien hou. Het zal me alles bij elkaar waarschijnlijk al mijn spaargeld kosten en misschien zelfs wel mijn baan, maar dat kan me eerlijk gezegd niks schelen. Het maakt het hele idee eigenlijk alleen maar mooier.

Ik haal diep adem, tel tot tien, voeg mijn bestelling toe aan het winkelmandje, vul mijn gegevens in en druk op bevestigen.


Volgende: deel 23 Vorige: deel 21

0 keer bekeken

© 2023 by T.S. Hewitt. Proudly created with Wix.com